Erotiek is vanzelfsprekend een drijfveer, een levensbron. De bevrijding van de zeden moest er onvermijdelijk komen. Lang heb ik me afgevraagd hoe ik de door Freud belichte schaduwzones zou weergeven. Het voorbeeld Bellmer was er wel, maar ik miste de nodige durf. Ik ben later mede dank zij de lossere omgang met de zeden moediger geworden en heb uiteindelijk datgene geschilderd wat ik wilde schilderen.
G. Collignon, 1978
Georges Collignon, die sedert 1966 geleidelijk afstand had genomen van de abstractie, maar (als beeldende kunstenaar !) rijker was geworden door dat avontuur, schept genoegen in het uitproberen van allerlei technieken en materialen : de verf die hij als impressionist, tachist of hyperrealist hanteert, de collage met goud- of zilverfolie en oud kantwerk, het penseel en de aërograaf, gladde en oneffen oppervlakten, kunstzijde en ruwe stof, leder en het fijnste damesondergoed, het ijzige van metaal en de warmte van een huid.
J. Parisse, 1980
Na het COBRA-experiment en de abstracte periode die hij stapsgewijs heeft afgerond komen bij Collignon te lang weerhouden beelden naar voren. Hij haalt nu een massa verhaaltjes uit de eigen verbeelding en uit de pop-art te voorschijn.
J. Pigeon, 1980
Nadat hij in 1952 de Prix Hélène Jacquet had ontvangen, droomde hij enige tijd van een synthese tussen het figuratieve en de abstractie. Maar dat stadium is hij nu voorbij. Hij bestormt alle vestingen. Hij kan zich alles veroorloven. Hij is in zijn beroep zo zelfzeker dat hij zich waagt aan elk aspect van de schilderkunst waar hij zin in heeft. Met als toemaatje een vrolijke erotiek, die hem zo eigen is en niet kan worden vergeleken met die van Delvaux, Marat, Balthus of van wie ook.
J. Pigeon, 1982
Kenschetsend zijn bij hem vooral de behoefte aan een constante vernieuwing en de liefde voor het verzorgd werk. Bij elke stap verder blijft het voorgaande echter steeds aanwezig. Die continuïteit maakt van zijn werk een samenhangend geheel.
N. Franckx, 1984