onde
onde
onde

De mijlpalen van een scheppend werk.

Abstractie, 1947-66

De niet-figuratieve periode van Georges Collignon begint in 1948, nadat hij op de Biënnale van Venetië kennis heeft gemaakt met Paul Klee, die hem wijst op de vrijwel onbegrenste mogelijkheden van de abstracte kunst. Samen met Bury, Franck, Léonard, Plomteux en Silvin wordt Collignon medestichter van de groep REALITE-COBRA, een eerste poging om in groep de abstracte kunst te verdedigen en te bevorderen. Cobra ontstond op 8 november 1948. Kopenhagen-Brussel-Amsterdam : schilders uit die 3 steden (Jorn, Dotremont, Appel e.a.) beslissen een gemeenschappelijk front van experimentele kunstenaars op te richten. In Luik gaan ze met de groep REALITE samenwerken. Volgens A. Herbin is ‘niet-figuratieve, niet-objectieve kunst uitgesproken humanistisch als expressie van een nieuw bewustzijn, van een nieuwe ingesteldheid waardoor het niet-objectieve realisme eindelijk plastisch wordt voorgesteld’.
In 1950 ontvangt Collignon samen met Alechinsky en Dubosc de ‘Prix Jeune Peinture belge’, die voor het eerst wordt uitgereikt.
Mecenaat en talentenjacht zijn in die periode niet los te denken van de APIAW - Association pour le progrès intellectuel et artistique en Wallonie - die onder de leiding van baron Fernand Graindorge in de Emulation te Luik o.m. geregeld werken van de meest vernieuwende Franse schilders tentoonstelt.

Collignon vestigt zich te Parijs in 1951. Hij zal in 1969 naar Luik terugkeren.
In 1952 wordt hij medestichter van de groep ART ABSTRAIT met Bury, Carrey, Delahaut, Milo, Plomteux, Saverys. Burssens en Hauror zullen zich bij hen aansluiten. De groep werd opgericht na de toevallige, maar onvermijdelijke ontmoeting van geestesverwante artiesten;  door gelijklopende persoonlijke ervaringen waren zij resoluut de weg ingeslagen van de abstractie, die qua grondbeginselen en activiteiten het best beantwoordde aan hun kunstenaarsvisie.
Tussen 1954 en 1958 bereikt de lyriek in Collignons werk haar hoogtepunt. Lange, kleurrijke  diagonalen lopen dwars over de oppervlakte van het doek, kruisen of doorsnijden elkaar. In die periode is zijn abstractie het mooist en het meest persoonlijk.
J. Hendrickx

Collignon hertrouwt in 1957 met Christiane Mambour, dochter van de beroemde Luikse schilder (1896-1968) die op de Academie zijn leraar was geweest.
Toenemende lyriek en expressie doen Collignon intussen uitgroeien tot een van de belangrijkste Belgische schilders van zijn generatie. Zijn warme, schijnbaar nonchalante abstractie is in feite streng opgebouwd, maar de onverwachte trillingen die ervan uitgaan verlenen zijn schilderijen een ongewone, bijna emailwerkachtige glans.
L. Koenig, 1957

In deze tijd waarin wetteloosheid in de schilderkunst de regel is geworden en de kunstenaar als een soort goudzoeker de ene ertsader naar de andere uitgraaft, waar alles dermate kan en mag dat het meest gedurfde er banaal uitziet, is Collignon een onverwacht verschijnsel. Hij schildert immers als een beschaafd mens,  streeft perfectie in zijn beroep na (…). Hij heeft ongetwijfeld een morele verplichting tegenover de Franse schilderkunst, hij vermeldt Bazaine en Bonnard met respect. Deze koppige Waal wilde alle troeven in zijn spel hebben.
C. Legrand, 1960

>>Oeuvres


©Copyright Georges.Colligon 2006 | Designed by Mockä |Created by Performances